Welkom op de website van Stichting Oud-Achtkarspelen

 

onderwerp    : De rode dominee A.S. Talma

spreker          : Lammert de Hoop

datum            : 14 november 2017

De heer Lammert de Hoop is één van de schrijvers van het boek ‘De rode dominee’. Hij begint de avond met het laten zien van een film over het leven en werk van dominee Aritius Sybrandus Talma. Dominee Syb Talma was zoon van een hervormde predikant en werd later zelf ook predikant (van 1888 tot 1901). Daarna ging hij in de politiek. Opvallend genoeg koos hij niet voor de hervormde CHU (Christelijke Historische Unie), maar voor de gereformeerde ARP (Anti-Revolutionaire Partij). In die tijd werden kamerleden gekozen namens een district. Talma werd gekozen door de kiezers in het kiesdistrict Tietjerksteradeel. Dit district omvatte de gemeenten Achtkarspelen, Kollumerland en Tietjerksteradeel. Verder was hij actief in de christelijke arbeidersbeweging Patrimonium. Hij was pleitbezorger van de moderne christelijke vakbeweging en was de inspirator voor het in 1909 ontstane CNV (Christelijk Nationaal Vakverbond). 

Van 1908 tot 1913 was hij in het kabinet Heemskerk minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, waaronder in die tijd ook sociale wetgeving viel. Hij werd een van de grondleggers van het sociale zekerheidsstelsel in Nederland. In de pionierstijd van sociale politiek in Nederland was Talma de eerste minister voor sociale wetgeving met een persoonlijke staat van dienst in de arbeidersbeweging. Die ervaring motiveerde hem - na jaren uitstel en vertraging onder voorgaande kabinetten - tot een inhaalslag voor sociale wetgeving. Dat leidde tot diverse arbeidswetten en een stelsel van Raden van Arbeid als nieuwe bestuurlijke organen voor de arbeidersverzekeringen.Talma's Raden van Arbeid waren het eerste voorbeeld van een publiekrechtelijke organisatie met werkgevers, werknemers en de overheid als samenwerkende 'sociale partners'. 

Drie jaar hoogoplopende strijd in de Tweede Kamer over de Talma-wetten (1910-1913) manifesteerde een tweedeling tussen progressieven en conservatieven in Den Haag die dwars door de partijen heen liep. De scheidslijn verdeelde zowel de regeringspartijen intern (respectievelijk katholieken en protestanten) als de oppositiepartijen (conservatieve en progressieve liberalen). Socialisten van de SDAP van P.J. Troelstra steunden Talma's sociale wetgeving als het er op aankwam, maar voerden ook zware oppositie met verzet tegen met name de verzekeringsplicht voor arbeiders. Gevoelige oppositie voor Talma kwam vooral uit eigen kring: de behoudende aristocratische vleugels van anti-revolutionairen, christelijk-historischen en katholieken. Openlijke steun van AR-leider Kuyper aan sociaal-behoudende kritiek op de minister versterkte Talma's isolement in eigen kring. Kuyper en behoudende geestverwanten hadden grote moeite met overheidsbemoeienis in de arbeidsverhoudingen tussen werkgever en werknemers en met Talma's pleidooi voor gelijkwaardige samenwerking van werkgevers en werknemers.

Talma realiseerde de eerste collectieve oudedagsvoorziening in Nederland: wettelijk recht van 70-jarige arbeiders op een bijdrage voor de oude dag. Uitkering van deze eerste wekelijkse 'ouderdomsrente' van staatswege voor 70-jarige pensioengerechtigden begon op 9 december 1913. De Ouderdomsrente was de voorloper van de naoorlogse Algemene Ouderdoms Wet. De AOWwerd in 1957 ingevoerd door de PvdA-ministers Drees en Suurhoff. De Invaliditeitswet, de voorloper de Wet Arbeidsongeschiktheid (WAO), werd in 1919 ingevoerd. Talma’s Ziektewet, dieverplichte verzekering invoerde voor het doorbetalen van loon bij ziekte van werknemers, is pas vanaf 1930 uitgevoerd. 

Het zwaarbevochten parlementair akkoord over de Talma-verzekeringswetten (1913) zorgde ervoor dat verplichte collectieve sociale verzekering het fundament werd van het Nederlandse sociaal stelsel. Het uitgangspunt van dit stelsel is de gedachte van gedeelde sociale verantwoordelijkheid van werkgevers, werknemers en de overheid. De vertaling van dit ethische principe in een samenhangend stelsel van sociale wet- en regelgeving is Talma's belangrijkste nalatenschap voor sociale zekerheid in Nederland.

Na aftreden van het kabinet trad Talma wegens gezondheidsproblemen uit de actieve politiek en werd predikant van de Nederlands Hervormde Kerk te Bennebroek. Dramatisch verlies van de ARP bij de verkiezingen in 1913, volgend op het kabinet Heemskerk, droeg hier aan bij. Het bevestigde het politiek isolement van Talma in zijn partij dat zich tijdens zijn ministerschap ontwikkelde. In 1916 is hij op 52-jarige leeftijd overleden. 

In 1928 ontstaat in Veenwouden de ‘Christelijke Vereniging tot verzorging van Ouden van Dagen, Talmarustoorden’. Er kwamen o.a. bejaardenhuizen in Veenwouden en Damwoude. De financiering gebeurde door particulieren. Vele jaren later heeft de overheid de bekostiging overgenomen. In 1963 is in Bergum een standbeeld van dominee Talma onthuld.

Vergelijkbaar met de strijd van Talma is de invoering van de Obama-care in Amerika. Deze wet is ook met veel moeite tot stand gekomen. 

Tegenwoordig is er een crisis in de verzorgingsstaat, sociale voorzieningen worden weer afgebroken. De heer De Hoop besluit zijn betoog daarom met ‘Elke tijd vraagt nieuwe Talma’s’. 

november 2017, Simon Hoeksma

------------------------------------------------------------------------------------------

onderwerp    : Historie van de zuivelindustrie

spreker          : Henk Dijkstra en Jan Vreeling

datum            : 9 januari 2018

De lezing is opgebouwd uit twee gedeelten. Henk Dijkstra, directeur van het Landbouwmuseum, vertelt eerst in grote lijnen iets over de historie van de zuivelindustrie. Vervolgens vertelt Jan Vreeling, vrijwilliger bij het Landbouwmuseum, over de zuivelfabrieken in Achtkarspelen.

De boterproductie gebeurde vroeger door de boerin. De bereiding vond plaats in de melkkelder van de boerderij. Het karnen (het bewerken van melk tot boter) gebeurde met behulp van een paard of met de hand. De boeren waren afhankelijk van de boterhandelaren, zij verhandelden de boter op de boterwaag. Dat is één van de redenen dat er later coöperatieve zuivelfabrieken zijn ontstaan. Hierdoor hielden de boeren de boterverkoop in eigen hand.

Vanwege de betere gronden werd in Friesland vooral boter gemaakt en in Holland, waar de grond van mindere kwaliteit was, vooral kaas. 88% van de melk bestaat uit water.

Op een gegeven moment verloor Friesland haar concurrentiepositie ten opzichte van Denemarken; de Deense boter was van een betere kwaliteit. Een delegatie van drie personen van de Friese Maatschappij van Landbouw ging naar Denemarken om te kijken wat ze daar anders deden. Na afloop stelden de heren een rapport met aanbevelingen op. Zo moesten de productiemethoden verbeterd worden en moest er meer aandacht voor hygiëne komen.  

Een volgende stap was het oprichten van zuivelfabrieken. In 1879 werd de eerste zuivelfabriek in Friesland geopend, Freia in Veenwouden. Dit was een zogenaamde particuliere fabriek. Later kwamen er ook coöperatieve zuivelfabrieken, die eigendom van de boeren waren. De eerste coöperatieve fabriek kwam in Warga. De boerinnen waren veelal tegen de komst van zuivelfabrieken, want zij verloren hierdoor hun werk. Er zijn ongeveer 120 zuivelfabrieken in Friesland geweest. Veel fabrieken bleken te klein om te kunnen overleven. Na de tweede wereldoorlog ontstaat er een concentratie van zuivelfabrieken. Tegenwoordig zijn er nog maar 12 fabrieken in Friesland. 

In een aantal fabrieken werd eerst met handkracht gewerkt en ging men daarna over op stoomkracht. Er waren ook fabrieken die direct van stoom gebruik maakten. 

In Achtkarspelen hebben acht zuivelfabrieken gestaan, waarvan er nu nog één over is. 

Lutjepost

De fabriek is in 1891 opgericht door zeven vermogende inwoners uit Buitenpost. In 1901 werd de fabriek een VOF en in 1904 werd het een coöperatieve fabriek. De fabriek lag gunstig aan de doorgaande weg en vlak bij de Buitenpostervaart. In 1930 is de fabriek gesloten. Later zat Timmerbedrijf Van de Witte in dit pand.

Kootstertille

Deze fabriek is in 1891 opgericht door de heren G.J. de Boer en B. Bosma. Het was dus een particuliere fabriek. Vanwege valsheid in geschrifte door De Boer, waardoor de boeren te weinig melkgeld uitgekeerd kregen, kwam er een nieuwe eigenaar, de heer Klaas Dorhout. In 1920 kocht de Lijempf de fabriek en werd deze gesloten. In de bedrijfsgebouwen zit nu de Biddle.

Surhuisterveen

Ook in 1891 kwam er aan de Dellen een zuivelfabriek in Surhuisterveen. Deze werd opgericht door de Dragster Zuivelfabriek. Daarna kwamen er diverse andere eigenaars. Op een gegeven moment werd Hendrik Boterkooper de eigenaar. Hij richtte in diverse plaatsen de NV Verenigde Zuivelfabrieken op. De fabriek is in 1963 gesloten. Er kwamen toen diverse winkels in het pand. 

Twijzel

In 1898 werd in Twijzel de coöperatieve zuivelfabriek ‘De Eendracht’ opgericht. Op een gegeven moment mocht er onder leiding van Izaak Wijnberg boter onder rabinaal toezicht worden gemaakt. Dat betekende dat de boter koosjer bereid moest worden. In 1974 fuseerde de fabriek met ‘De Foarútgong’ uit Bergum. Een aantal jaren later is de fabriek gesloten en kocht bouwbedrijf Van der Woude het pand.

Augustinusga

Een jaar later, in 1899, werd een zuivelfabriek in Augustinusga opgericht. Deze fabriek is later overgenomen door de Lijempf. Om een verbinding met het kanaal te krijgen werd in 1915 de Fabrieksvaart gegraven. In 1970 is de fabriek gesloten en werd de schoorsteenpijp opgeblazen. Er zit nu een bandenhandel in het gebouw.

Rottevalle

In 1899 kwam in Rottevalle een melkfabriek vlakbij de Brouwersgracht te staan. Deze werd opgericht door de NV Stoomzuivelfabriek. Rottevalle viel in die tijd deels onder de gemeente Achtkarspelen. In 1915 werd de fabriek al weer gesloten en kwam er een smederij in de fabriek. Tegenwoordig is het een woonhuis.

Surhuizum

Ongeveer 35 boeren richtten in 1900 een coöperatieve zuivelfabriek in Surhuizum op. Deze fabriek heeft niet lang bestaan. De fabiek kwam in opspraak, nadat bekend werd dat er margarine door de roomboter werd gemengd. In de oudejaarsnacht van 1903 op 1904 is de fabriek door onbekenden in brand gestoken. Alleen de Nortonpomp voor het oppompen van water is nog jarenlang blijven staan.  

Gerkesklooster

Ook in 1900 kwam er een coöperatieve zuivelfabriek in Gerkesklooster. Deze kreeg de naam Welgelegen. In 1970 werd overgeschakeld van stoom op elektriciteit. Daardoor had de schoorsteenpijp geen nut meer en werd naar beneden gehaald. Dit is de enige fabriek in Achtkarspelen die nu nog bestaat en maakt vanaf 2008 onderdeel uit van het concern FrieslandCampina.

Meer informatie: www.zuivelfabrieken.nlen www.frysklanboumuseum.nl

januari 2018, Simon Hoeksma

--------------------------------------------------------------------------------------------------

onderwerp    : Historie van de cichorei

spreker          : Oege Jan Leegstra

datum            : 13 maart 2018

Het museum De Sûkerei is opgericht in 2008 en bestaat nu 10 jaar. Er waren in de gemeente Dantumadiel een aantal woudhuisjes leeg komen te staan die, zo vonden sommigen, vanwege de historische waarde niet verloren mochten gaan. Toen is het idee geboren om deze huisjes bij elkaar te zetten en er een museum van te maken. Ook heeft men toen een cichoreidrogerij nagebouwd die vroeger in De Falom stond. Dantumadiel was de gemeente waar de meeste cichoreidrogerijen hebben gestaan. De woudhuisjes hebben oorspronkelijk in De Falom, De Westereen en Rinsumageast gestaan. Elk huisje heeft een specifiek thema. In het huisje uit De Falom ligt de nadruk op vissen, jagen en stropen. In het huisje uit De Westereen staat de handel en ambacht centraal en het ‘wâldspultsje’ uit Rinsumageast was oorspronkelijk een gemengd vee- en akkerbouwbedrijf. In 2016 is poldermolen ‘De Mearmin’ naar het museum verplaatst.

Bij de cichorei gaat het om de wortel. In deze wortel zitten bitter- en zoetstoffen. Daardoor smaakt cichorei een beetje naar koffie. De cichorei is ‘familie’ van de witlof en de andijvie. In 1661 kwam de eerste koffie uit Indië in Nederland terecht. In de achttiende eeuw ontdekte men dat de wortel van de cichorei geschikt was voor het produceren van een surrogaat voor koffie. Dominee Nieuwold van Warga introduceerde rond 1770 de cichorei in Friesland. Hij zag de verbouw als een middel om de armoede te bestrijden. De eerste fabriek kwam in Huizum bij Leeuwarden te staan.

In Dantumadiel was het grietman P.A. Bergsma die de cichoreiteelt bevorderde. Hij stichtte een fabriek in Dantumawoude die de grootste van Nederland werd. Uiteindelijk kwamen in de meeste dorpen in Dantumadiel een of zelfs meerdere fabrieken te staan. De teelt werd bevorderd doordat Engeland rond 1800 de import van koffie belemmerde en als gevolg daarvan de prijs omhoog ging. Daardoor werd de cichoreikoffie een goedkoper alternatief.

Het zwaartepunt van de cichoreiteelt lag eerst op de klei en verplaatste zich later naar de Wouden. Vaak stonden de fabrieken aan het water. Dit vanwege het transport en bovendien moesten de wortels ook gewassen worden. In Achtkarspelen stonden fabrieken in Kootstertille aan het kanaal en in Twijzel bij de vaart.

Het proces van de teelt begon met het zaaien in het voorjaar. Daarna moest er regelmatig gewied worden om het onkruid er tussenuit te halen. Dit gebeurde vooral in juni en juli. In oktober werd de cichorei geoogst. Het wieden en oogsten gebeurde door een groep arbeiders onder leiding van een koppelbaas. De koppelbaas maakte afspraken met de opdrachtgever en zorgde voor voldoende werkkrachten. 

Na het oogsten moesten de wortels in water schoongemaakt worden. Daarna werden de wortels gehakseld met een stampmes; dit was zwaar werk. Vervolgens moesten de gehakselde wortels gedroogd worden. Op de begane grond in de fabriek stonden ovens die op turf gestookt werden. De wortels stonden in bakken op de zolder. Door de warme lucht die naar boven opsteeg werd de cichorei gedroogd. De zolder bestond uit verschillende etages. Steeds werden de wortels een etage hoger gezet, zodat er weer nieuwe, nattere wortels op de onderste etage konden worden geplaatst. Tijdens dit proces werd er 6 dagen per week continu gewerkt in ploegen van 2 x 12 uur per dag.

Na het drogen ging de cichorei naar een branderij. Hier werden de wortels geroosterd in een trommel. Daarna moest de cichorei gemalen worden.

Rond 1870 was het hoogtepunt van de cichoreiteelt. Vanaf 1900 gaat de productie steeds verder naar beneden. Tijdens de beide wereldoorlogen was er, vanwege gebrek aan koffie, een opleving van de productie. 

Meer informatie over de cichorei is te zien in museum ‘De Sûkerei’ te Damwâld: www.desukerei.nl.

maart 2018 / Simon Hoeksma