onderwerp    : De symboliek op de rouwborden in de kerk van Buitenpost

spreker          : Regnerus Steensma

datum            : 9 november 2010

 

Rouwborden komen alleen in protestantse kerken voor, niet in rooms-katholieke. In de rooms-katholieke kerken stonden vroeger heiligenbeelden. Deze zijn er met de Hervorming in 1580 allemaal uitgehaald. De rooms-katholieke kerken werden toen veranderd in hervormde kerken. In heel wat hervormde kerken kwamen op den duur rouwborden te hangen. ‘De heiligen werden vervangen door de heren’. Volgens een schatting van D.J. van der Meer hebben er zeker 2000 van deze borden in Friese kerken gehangen. In de Franse tijd, vanaf 1795, moest in het kader van ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ alles wat aan de adel herinnerde uit de kerken verdwijnen, dus ook de rouwborden. Het overgrote deel werd vernietigd, een klein deel bleef echter bewaard. Na de Franse tijd zijn de rouwborden die bewaard waren gebleven, weer in de kerken teruggekeerd. Op dit moment hangen er nog 133 van deze borden in de Friese kerken. Hiervan hangen er tien in de kerk van Buitenpost.

De rouwborden geven de kerken allure en vormen in het kerkinterieur een gaaf geheel. In Wommels zijn de rouwborden rijk versierd met rococo-ornamenten. Rouwborden kunnen verdeeld worden in wapenborden en rouwkassen. In de 17e eeuw werden er wapenborden in de kerken opgehangen. Deze borden werden meegedragen tijdens de begrafenis. In de 18e eeuw kwamen er de veel grotere rouwkassen in de kerken te hangen. Deze waren zo groot, dat ze niet meegedragen konden worden tijdens de begrafenis. Voor de kerkvoogden leverde het hangen van rouwborden in de kerk inkomsten op; zij vroegen een jaarlijkse vergoeding. De rouwborden kunnen in drie categorieën ingedeeld worden: vergankelijkheids-symbolen, vechtwapens en familiewapens.

vergankelijkheidssymbolen

Op deze borden staan afbeeldingen die met de dood te maken hebben, zoals doodskoppen, zandlopers, zeisen, enzovoort.

krijgswapens

Op deze borden staan afbeeldingen die met het leger te maken hebben, zoals speren, lansen, trommels, vaandels, enzovoort. Naast geschilderde afbeeldingen zijn er ook echte en namaak-voorwerpen op aangebracht, zoals bijvoorbeeld speren of trommels. Een mooi voorbeeld hiervan is het wapen van kolonel Martinus van Acronius in de kerk van Buitenpost.

familiewapens

Op deze borden staan, zoals de naam al aangeeft, familiewapens. De heraldiek is de wetenschap die zich bezighoudt met de betekenis van de symbolen op deze wapens. Zo staat een adelaar voor macht en heerschappij, een roos voor jeugd en schoon-heid, een leeuw voor dapperheid en moed, een eikel voor bosbezit, de maan voor hoge gunst en wetenschap en aren van tarwe, rogge en haver voor vruchtbaarheid.

Meer over de rouwborden in de kerk van Buitenpost is te lezen in het boek ‘Grafschriften van Achtkarspelen’ van A.L. Heerma van Voss. Ook in het boek ‘Monumentale kerken in Achtkarspelen’ van Regnerus Steensma wordt aandacht geschonken aan de rouwborden in de hervormde kerk van Buitenpost. In het  ledenblad van december 2010 van de Stichting Alde Fryske Tsjerken zal eveneens aandacht geschonken worden aan de rouwborden in de Friese kerken.

november 2010 / Simon Hoeksma

onderwerp    : Geschiedenis van de vracht- en beurtschepen in de Wâlden

spreker          : Klaas Jansma

datum            : 11 januari 2011

 

Klaas Jansma is bezig met een boek te schrijven over de schipperij in de periode van 1877 tot 1960. In 1877 werd als gevolg van een scheepsramp de Provinciale Waterstaat verzelfstandigd. Doel van Provinciale Waterstaat was onder andere het verbeteren van de infrastructuur en het maken van een vaarverbinding naar het oosten.

Hiervoor waren drie mogelijkheden:
1. De Opsterlandse Compagnonsvaart bij Appelscha verbinden met de Drentse Hoofdvaart door een dam tussen Friesland en Drenthe weg te halen;    en tevens de Schoterlandse Compagnonsvaart bij Wijnjeterp te verbinden met de Opsterlandse Compagnonsvaart.
2. De Drachtstervaart door te trekken naar het Hoendiep bij Briltil in Groningen.
3. Het beter bevaarbaar maken van het Kolonelsdiep dat door Tietjerksteradeel en Achtkarspelen naar Stroobos liep.

Om diverse redenen, onder andere omdat de grondbezitters niet bekend waren of niet mee wilden werken, vervielen de eerste twee opties. Daarom werd er een vaarweg aangelegd van Lemmer naar Stroobos. Voor een groot deel liep dit kanaal door bestaande wateren. Deze wateren werden met elkaar verbonden en verbreed. Als gevolg daarvan werd het kanaal om Kootstertille en om Stroobos heen gelegd.  

De schippers hielden zich in die tijd vooral bezig met het vervoeren van vruchtbare terpaarde naar de Wouden en het verschepen van turf. Dit gebeurde met zeil-schepen. Als het windstil was, werden deze schepen getrokken door een paard of door vrouw en kinderen.

Vanaf eind 19e eeuw gingen de scheepsbouwers over op het maken van metalen schepen. In 1889 trok Barkmeijer naar Sneek en ging daar los met de metaalbouw. Bos ging naar Echtenerbrug en bouwde daar vanaf 1893 metalen schepen. In 1903 kwamen daar de laatste houten schepen van de helling. Alleen Jan Brandsma uit Rohel bleef de houtbouw trouw. De andere scheepsbouwer in Rohel, Eduard Kuiper, ging wel over op de metaalbouw. Al veel eerder, in 1832, werden er ijzeren stoomboten gebouwd.

Tot 1966 stond Zuidwest-Friesland voor het laatst onder water. In dat jaar kwam het Hooglandgemaal bij Stavoren gereed.

In 1851 kwam er een nieuwe gemeentewet, waarin onder andere aandacht geschonken werd aan de verbetering van wegen en waterwegen. Overal werden kleine waterschappen opgericht. Om het waterbeheer op een hoger peil te brengen, vond rond 1960 een concentratie van waterschappen plaats. Zo is uiteindelijk in Achtkarspelen en omstreken het waterschap Lits en Lauwers ontstaan.

Er waren waren zo’n 4000 à 5000 schippers in onze provincie. De maatschappelijke positie van een schipper was gelijk aan een middelmatige boer. Een schip kostte ongeveer evenveel als een kleine boerderij met land en tien koeien.

Vanaf 1850 deed de beurtvaart z’n entree. Hiervoor hadden de schippers een vergunning nodig. In deze vergunning werden aankomst- en vertrektijden en de tarieven vastgelegd. In 1888 werd de beurtvaart vrij en mocht iedereen een beurt-dienst beginnen. Een bekende scheepsbouwer in die tijd was Eeltje Holtrop Van der Zee uit Joure.

Het scheepvaartverkeer van Harlingen naar Groningen verliep tot begin 19e eeuw via een omweg door het noorden van Friesland naar Dokkum en dan via de trekvaart naar Stroobos. Dit kwam doordat er in Kootstertille een brug lag die niet omhoog kon. Het woord tille verwijst hier naar; een tille is een vaste, hoge brug. In 1802 werd deze brug door een flapbrug, die omhoog kon, vervangen.

In Kootstertille woonden veel schippers. Een van de bekendste was de familie Brouwer. Jan Brouwer is de voorvader van de Brouwers die tegenwoordig aan het skûtsjesilen deelnemen. Toen hij ging trouwen moest Jan aan z’n vrouw Aaltje Pieters beloven dat hij niet meer zou drinken. Wel mocht hij bij ziekte nog een versterkertje nemen. Het laat zich raden dat Jan heel wat ziektes onder de leden heeft gehad. In de periode van 1910 tot 1920 heeft Kootstertille veel schippers verloren. Door de komst van steenkool verdween de turfvaart uit Drenthe. In 1920 kwam het Woudagemaal bij Tacozijl gereed.

Door de komst van auto’s kwamen er steeds meer dammen in de vaarten te liggen, wat een belemmering voor de scheepvaart was.Het gevolg was dat veel schippers op het wegvervoer over gingen.

januari 2011 / Simon Hoeksma

onderwerp    : Boeren op de zandgronden

spreker          : Henk Dijkstra, directeur Fries Landbouwmuseum

datum            : 8 maart 2011

 

Wat het werken in de landbouw betreft zijn er vier fasen te onderscheiden: werken met de handen, met gereedschappen, met machines en door middel van automatisering.

Op de zandgronden was alles wat kleinschaliger dan op de klei; ook de koeien waren wat kleiner. De zandgronden bevinden zich in het oosten van Nederland en in de Friese Wouden. Rond 1800 waren veel nog woest en ledig. Zo bestond Drenthe toen nog voor 70% uit zand en veen. Veel gronden waren nat en laag, er groeiden geen bomen. Na 1800 probeerde men door drainage en het bouwen van stoomgemalen de waterstand te verlagen. De meeste gronden in Drenthe waren gemeenschappelijk bezit. Dit noemde men de marke. In 1886 is deze marke afgeschaft.

Door het afgraven van het hoogveen ontstonden er veenkolonies. De ontginning van het veen werd gestimuleerd door de Fransen die rond 1800 de baas in ons land waren. Zij gingen de ontginningen centraliseren. Er werden landbouwverenigingen opgericht die later uitgroeiden tot landbouwmaatschappijen. In 1798 werd het Ministerie van Economische Zaken, waaronder ook de landbouw viel, opgericht. Na afloop van de veenontginningen ging er op de overgebleven zandgrond heide groeien. Om de grond voor de landbouw te kunnen gebruiken werd de heide in cultuur gebracht. Hierbij ging men uit van het principe van mest en mentaliteit; om de grond te kunnen gebruiken moest er eerst een humuslaag gevormd worden, door de grond te bemesten. Op de zandgronden waren hoofdzakelijk potstallen. De compost die in deze stallen werd gevormd, werd gebruikt als bemesting voor de gronden. In de periode 1920-1930 werd in het kader van de werkloosheidsbestrijding ook het Buitenveld bij Veenwouden ontgonnen.

Eeuwenlang was de akkerbouw het belangrijkst. Gedurende de 19e eeuw werd de veeteelt (koeien en varkens) steeds belangrijker. Doordat er bij de zuivelbereiding op de boerderijen geknoeid werd met boter, door er margarine door heen te mengen, werd de leidende positie op de zuivelmarkt overgenomen door de Denen en Normandiërs. Als reactie hierop ging men de boterbereiding professioneler aanpakken door zuivelfabrieken op te richten. Vaak waren deze fabrieken eigendom van coöperaties, een samenwerkingsverband van boeren. In de fabrieken werd gebruik gemaakt van centrifuges. Eerst gebeurde de bediening met handkracht, later met stoomkracht.

Ook op andere gebieden ontstonden er coöperaties. Voorbeelden hiervan waren de Boerenleenbank (voorloper van de Rabobank), de Zuivelbank (voorloper van de Friesland Bank), de OTOS (opgegaan in Achmea), de FBTO en de CCLB (boekhouding).

In de loop der tijden werden de potstallen vervangen door grupstallen. De mest bleef niet meer in de stal liggen, maar werd afgevoerd via een grup. Ook kwamen er andere bedrijfstakken bij: varkens voor de export en kippen. Het gebruik van kunstmest (met mineralen als kali, fosfaat en stikstof) verhoogde de productie van het grasland. Met behulp van prikkeldraad kon men landerijen gemakkelijker afscheiden. Vanaf de dertiger jaren trad de rationalisatie in. Er kwam meer aandacht voor onderwijs, onderzoek en voorlichting.

Tot ongeveer 1950 waren er vooral kleine landbouwbedrijven. De landbouw werd echter vanaf die tijd steeds kwetsbaarder. Teveel mensen waren afhankelijk van de kleine bedrijven. De lonen stegen, maar de prijzen bleven gelijk. Het gevolg was schaalvergroting, mechanisering, intensivering en specialisatie. De schaalvergroting werd gerealiseerd door ruilverkaveling en sanering. Veel boerenarbeiders werden overbodig en werden gedwongen om in fabrieken te gaan werken. Vanaf 1960 verdwijnen er veel kleine boeren.

Na de tweede wereldoorlog gingen alle boeren geleidelijk over tot het aanschaffen van een tractor. Door de elektrificatie kon er krachtstroom gebruikt worden en werd het handmatig melken vervangen door het melken met machines. Vanaf 1960 kwamen er ligboksstallen in het landschap te staan. Door het gebruik van de melktank werden veel zuivelfabrieken gesloten. Ook de melkrobot deed z’n intrede. Verder werd er steeds meer gebruik gemaakt van krachtvoer en maïs.

Vanaf 1880 werd er naast hooi ook kuil gemaakt. Later kwamen er cyclomaaiers en ladewagens en kwam er bij de boerderijen een torensilo te staan om het voer in op te slaan. Er kwamen echter ook problemen. Door het gebruik van veel krachtvoer ontstond er een mestoverschot en door het produceren van teveel melk werd de superheffing ingevoerd. Om te kunnen overleven stappen sommige boeren de laatste jaren over op een tweede tak; zo starten ze bijvoorbeeld een camping of een zorgboerderij.

maart 2011 / Simon Hoeksma