onderwerp    : Skûtsjevaart vroeger en nu

spreker         : Age Veldboom, directeur Skûtsjemuseum Earnewâld

datum           : 11 november 2014

Tijdens deze lezing varen de aanwezigen als het ware mee op het skûtsje, terug in de tijd. Fryslân is vanouds een waterland, de provincie heeft veel meren, kanalen en vaarten. Vroeger lagen de belangrijkste plaatsen aan het water. Denk maar aan de Friese elf steden. Deze lagen allemaal in het waterrijke deel, in het noorden en westen van de provincie. In de Friese Wouden was weinig water, waardoor daar geen steden zijn ontstaan.

In het Skûtsjemuseum wordt het belangrijk gevonden dat er verhalen worden verteld. Voor de ouderen roept dit herinneringen aan vroeger op en de jongeren krijgen een indruk hoe het vroeger was. Verder moeten de bezoekers in nagebouwde onderdelen zelf kunnen ervaren hoe het was op zo’n skûtsjes en hoe een skûtsje gebouwd werd.

Skûtsjes zijn speciaal voor Fryslân gemaakt, zij moesten in de sluis passen. Daarom mochten skûtsjes niet langer dan twintig meter zijn. Ook moesten ze onder de brug door kunnen, daarom mochten ze niet breder zijn dan vier meter. Sommige wateren in Fryslân waren ondiep, daarom hadden de skûtsjes een platte bodem zodat ze niet met de kiel vast kwamen te zitten. De roef mocht niet te hoog, anders kon het skûtsje niet onder de brug door. Het woord roef is verwant aan het Engelse ‘roof’ en betekent dak. De roef was zo klein, dat je er alleen met gebogen hoofd in kon vertoeven. In de roef was een bedstee. Onder de bedstee zat een lade, waarin een aantal kinderen konden slapen. Hier komt de term ‘ondergeschoven kindje’ vandaan. De grotere kinderen sliepen in het vooronder van het schip. De schepen hadden grote zeilen, zodat ze boven de bomen uit kwamen en wind konden vangen.

Alle skûtsjes waren oorspronkelijk van hout. Begin 1900 begon men ijzeren skûtsjes te bouwen. IJzeren schepen hebben veel minder onderhoud nodig dan houten schepen. Sommige mensen moesten in het begin niets van ijzeren skûtsjes hebben, want zeiden ze: hout blijft drijven, maar ijzer zinkt. Op een gegeven moment werden er alleen nog ijzeren skûtsjes gebouwd. Alle skûtsjes die meedoen aan de SKS- en IFKS-wedstrijden zijn van ijzer gemaakt.

Een mooi skûtsje was de Aebelina gemaakt op de scheepswerf van Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. Vaak stelden de opdrachtgevers bepaalde eisen aan het skûtsje. De opdrachtgever van de Aebelina stelde echter geen enkele eis. Dat betekende dat Holtrop van der Zee naar eigen inzicht het ideale skûtsje met sierlijke rondingen kon bouwen. Daardoor won dit skûtsje bijna alle wedstrijden waaraan het deelnam. Het valt te begrijpen dat andere schippers er problemen mee hadden dat zij nooit een eerste prijs konden winnen en daarom werd de Aebelina op een gegeven moment uitgesloten van wedstrijden ‘wegens buitengewone bekwaamheid’.

Omdat er geen houten skûtsjes meer waren is de Aebelina opnieuw nagebouwd. Het ligt nu bij het Skûtsjemuseum te Earnewâld om gebruikt te worden als zeilschip voor groepsuitstapjes. Het schip is gebouwd als onderdeel van een leer-werkproject.

De schepen vervoerden diverse goederen en materialen, zoals terpaarde, turf, modder, mest, schelpen, steenkool, aardappelen, suikerbieten en potten (door een potschipper). Door de aanleg van verharde wegen vond op den duur steeds meer vervoer over de weg plaats en verloren de skûtsjes hun oorspronkelijke functie.

Rond 1930 kwamen er motoren in de skûtsjes. Dat maakte het werk voor de schippersfamilie aanzienlijk lichter. Bij windstil weer moesten de schippersvrouw en/of de kinderen het schip voorttrekken. Zij kregen dan een tuig om dat met een lang touw aan het schip vastzat. De schipper moest met een lange stok het schip uit de wal houden. Om het schip in koers te houden stonden er in bochten van de vaarwegen rolpalen. Hier rolde het touw om heen, waardoor het schip niet in de wal terecht kwam. De meeste schippersfamilies moesten hard werken om aan de kost te komen. Tegenwoordig wordt dit vroegere schippersleven wel eens wat te veel geromantiseerd.

Op het skûtsje zaten witte en bruine katoenen zeilen. De oorspronkelijke kleur van het zeil was wit. Oudere zeilen moesten, om verrotting tegen te gaan, getaand worden, waardoor het zeil bruin werd. Het tanen werd gedaan in een taanketel. Gedurende enkele uren werd het zeil in een hete oplossing van cachou (een extract van verschillende bomen, waaronder de eik) ondergedompeld. Tegenwoordig wordt er alleen met kunststofzeilen gezeild. 

Met begeleiding van z’n accordeon vrolijkte de rasverteller Age Veldboom de lezing op met een aantal schippersliederen. Meer informatie over het skûtsjesilen is te lezen op www.skutsjemuseum.nl.

 

 

 

 

onderwerp    : Galg en rad in Fryslân

 

spreker         : Hans Mol van de Fryske Akademy

 

datum            : 13 januari 2015

 

De heer Mol is medewerker van de Fryske Akademy en de Universiteit Leiden. Hij houdt zich hoofdzakelijk bezig met de middeleeuwse geschiedenis.

 

In de Republiek waren galg en rad vrij algemeen in gebruik. Als iemand een zware overtreding had begaan, bijvoorbeeld een moord, dan volgde de doodstraf aan de galg. In Fryslân stond rond 1515 maar één galg. Deze stond aan de Harlinger Trekvaart buiten Leeuwarden, op de plek waar nu het kantoor van Friesland Zorgverzekering staat. Dit stuk grond werd vroeger het ‘galgelân’ genoemd. De executies vonden plaats bij het Blokhuis, op de plek waar nu de voormalige gevangenis staat. De executies trokken altijd veel toeschouwers. Na de uitvoering van het vonnis werd het lijk tentoongesteld op het ‘galgelân’ aan de Harlinger Trekvaart. Over deze trekvaart kwam veel scheepvaartverkeer. De gehangene diende als afschrikking en maakte de reizigers duidelijk dat hier het recht werd gehandhaafd.

 

Voor 1515 had bijna elke grietenij (de voorloper van de gemeente) een galg en een rad. In de tweede helft van de 15e eeuw kregen veel steden en grietenijen het halsrecht, dat wil zeggen het recht om mensen op te hangen. Van de meeste grietenijen heeft de heer Mol de plaats waar deze galgen stonden gevonden. Vaak heeft het stuk grond de naam van galgelân of galgeberg. In Achtkarspelen heeft hij nog geen locatie gevonden. De galgen bevonden zich buiten de stad of het dorp. Daar stonden ze op een zichtlocatie, dat wil zeggen op een opvallende plaats, waar veel mensen langs kwamen. De meeste galgen stonden op een verhoging, bijvoorbeeld een dijk, of langs een drukke weg of vaart. De galg van Tytsjerksteradiel stond aan de Burgermer Mar bij de Joere onder Eastermar.

 

Voor 1515 hadden de grietenijen een grote zelfstandigheid, het waren eigenlijk een soort kleine staatjes. Als teken van deze zelfstandigheid had elke grietenij daarom een eigen galg. Gemiddeld werden er per jaar ‘slechts’ vijf mensen ter dood veroordeeld. Dat betekende dat er in een grietenij maar eens in de zoveel jaar van de galg gebruik werd gemaakt. Na 1515 werd het gezag in Fryslân gecentraliseerd. Dat hield in dat alle galgen in de grietenijen afgebroken werden en alleen de galg in Leeuwarden overbleef.

 

De meeste mensen wilden geen galg op het hun land hebben en er waren ook maar weinig timmerlieden die een galg wilden timmeren. Vaak stond de galg op het land van een hoofdeling (invloedrijke persoon, vaak van adel) en soms op kerkeland.

 

Gerkesklooster had het halsrecht voor Burum en Visvliet. Deze beide dorpen vielen toen onder het klooster. Dat betekende dat de rechtsspraak in deze dorpen in handen van het klooster was. In beide dorpen stond een galg.

 

 

 

 

onderwerp    : Ontstaansgeschiedenis van de Noardlike Fryske Wâlden

 

spreker         : Fokke Frieswijk van Stichting Elzegea

 

datum            : 10 maart 2015

 

Stichting Elzegea is een samenwerkingsverband van de vereniging IVN ‘de Wâlden’, vereniging IVN ‘Noordoost Friesland’ en de Natuur- en landschapsvereniging ‘de Wâlden, de Marren’. Het doel van Stichting Elzegea is door middel van excursies en lezingen bekendheid te geven aan de ontstaansgeschiedenis van het Nationale Landschap ‘de Noardlike Fryske Wâlden’. De afkorting IVN staat voor Instituut voor Natuureducatie en Duurzaamheid.

 

De lezing van de heer Frieswijk gaat van het heden naar het verleden. Er zijn 20 Nationale Landschappen in ons land. In het noorden zijn dat Middag-Humsterland, Zuidwest-Friesland, de Drentsche Aa en de Noardlike Fryske Wâlden. Het landschap van de Noardlike Fryske Wâlden kenmerkt zich door een kleinschalig, agrarisch coulissenlandschap. Het is een zeer uniek landschap en de kwaliteit is heel goed bewaard gebleven.

 

Het Nationaal Landschap de Noardlike Fryske Wâlden bestaat uit de hogere delen van het gebied; de mieden horen er niet bij. Binnen de Noardlike Fryske Wâlden zijn de volgende landschapstypen te onderscheiden: het singellandschap, het dijkswallenlandschap in opstrekkende verkaveling, het dijkswallenlandschap in blokverkaveling, het landschap van de jonge heideontginning, het hoogveen met wijkenlandschap, het compagnie-wijkenlandschap, het meren- en kanalenlandschap en het Fries essenlandschap.

 

In gebieden boven 1 meter NAP zijn dijkswallen te vinden. Deze werden opgeworpen, omdat er op deze hoge gronden geen water in de sloten te houden was die als scheiding tussen de landerijen konden dienen. De dijkswallen bestaan uit een zandlichaam met aan weerszijden twee greppels. Bovenop groeien bomen en aan de onderkant struiken. De wallen zijn zo’n 400 jaar oud en moeten ongeveer één keer in de 25 jaar gekapt worden. Er zijn twee soorten verkavelingen in het dijkswallengebied te vinden: een opstrekkende verkaveling en een blokverkaveling. De opstrekkende verkaveling is te vinden ten zuiden van Drogeham en ten westen en noorden van Twijzel en Buitenpost. Rondom Oostermeer-Hoogzand is een blokverkaveling te vinden.

 

Rond het Bergumermeer is vanaf 1100 een essenlandschap ontstaan. Hier liggen de essen van Eestrum, Hoogzand, Suameer en Noordermeer. De essen zijn eeuwenlang bemest en kwamen daardoor steeds hoger te liggen. De mest werd gedurende de winter verzameld in de potstal en werd in het voorjaar over de es gebracht. Ook werd gebruikt gemaakt van terpaarde.

 

Bij Drachtstercompagnie vindt men geen dijkswallen. Hier vindt men het compagnie-wijkenlandschap. Het water blijft hier wel in de sloten staan en wijken geven de scheiding tussen de landerijen aan. Het water komt hier uit de hoge veengebieden van het Westerkwartier.

 

In een groot deel van de Noardlike Fryske Wâlden vindt met een singellandschap. In dit landschap staan elzensingels langs de sloten. Om de sloten te kunnen hekkelen zijn de meeste singels aan één zijde van de sloot gekapt. Dit gebied ligt 0 tot 1 meter boven NAP. Op het Witveen en rond Surhuisterveen vindt men hoogveen met een wijkenlandschap. Beide landschappen hebben een opstrekkende verkaveling.

 

Rond de Leijen en het Bergumermeer treft men een meren- en kanalenlandschap aan. De hoogte is hier -1 tot 0 meter NAP. Dit is een open landschap waar geen bomen groeien.

 

Volgens de eerste kadastrale kaart van 1832 (te raadplegen op www.hisgis.nl) waren toen bijna alle gebieden verkaveld. Alleen de heidegebieden waren nog niet verkaveld. Deze heidedorpen zijn uit pure armoede ontstaan. Vanwege gebrek aan werk en dus inkomsten waren deze mensen genoodzaakt zich op de heide te vestigen.

 

De Leijen was rond 1700 een laagveengebied. In 1825 was het deel van Tietjerksteradeel afgegraven en veranderd in een waterpoel. In 1834 was ook het Smallingerlandse deel afgegraven. Er waren twee manieren om het laagveen te vervenen. De eerste was de Gieterse methode. Hierbij werd met een baggerbeugel (een soort schepnet) het veen tot op de bodem opgebaggerd. De tweede was de Friese methode. Hierbij werd het gebied eerst ontwaterd met een tjasker. Daarna werd met een loet een derde deel van het veen eruit gehaald.

 

Door ontwatering is veel veen verdwenen. Als het veen met de openlucht in aanraking komt, vergaat het. De bovenste laag veen wordt het bonkveen genoemd. Dit veen is niet geschikt als brandstof en wordt gebruikt als zetveld om turven op te zetten om te drogen. De volgende laag is het witveen. Dit veen bestaat uit vooral uit veenmos. Daarna komt het zwartveen dat onder andere bestaat uit bosveen. Het witveen heeft een lagere verbrandingswaarde dan zwartveen.

 

Onder het veen zit een zandlaag en onder deze zandlaag zit keileem. Het keileem laat moeilijk water door en zorgt ervoor dat het water vastgehouden wordt, waardoor er veen op de zandlaag kan groeien.

 

De kloosters hebben een belangrijke rol gespeeld bij de vervening. Voor het jaar 800 was het in de noordelijke Friese Wouden allemaal veen. In dit veen ontstonden getijdengeulen als de Zwemmer, de Lauwers en de Oude Ried. Vanaf 800 vestigden zich vanaf de terpen bewoners in dit gebied aan de oevers van de geulen. Toen het in de buurt van deze geulen te nat werd, schoven de bewoners op naar hogere gebieden.

 

Tot 8.000 jaar voor Christus was de periode van de oerwouden. Daarna begon de veenvorming. De oerwouden verstikten in het water en er ontstond bosveen.

 

Van 12.000 – 120.000 jaar voor Christus was de periode van de ijstijden. De gemiddelde temperatuur in juli kwam in die periode niet boven de 10 graden. In deze periode ontstonden de pingo’s, die nu nog steeds in het landschap terug te vinden zijn.

 

Ook in 2015 organiseert Stichting Elzegea weer diverse excursies door het landschap van de Noardlike Fryske Wâlden. Meer informatie over de Stichting Elzegea en deze excursies is te vinden op: www.ivn.nl/afdeling/de-walden.