Welkom op de website van Stichting Oud-Achtkarspelen

onderwerp    : De geschiedenis van stelling Kornwerderzand

spreker         : Ton Henni van het Kazemattenmuseum

datum           : 10 november 2015

De spreker, Ton Henni is medewerker bij het Kazemattenmuseum in Kornwerderzand. Dit museum wordt volledig gerund door vrijwilligers en wordt jaarlijks door een groot aantal mensen bezocht.

Om het land te verdedigen werden er vroeger landweren aangelegd. Een landweer bestond uit een sloot en daarnaast een dijk. Op de dijk werden meidoorns geplant. Bij Allardsoog onder Bakkeveen is nog een deel van een oude landweer te zien. Later maakte men gebruik van schansen. De schans bij Frieschepalen en de Zwartendijksterschans bij Een zijn gerestaureerd en daardoor nog zichtbaar in het landschap.

Kazemattenmuseum

In 1918 werd besloten om de Zuiderzee af te sluiten. Met de bouw van de Afsluitdijk werden echter de Vesting Holland en de marinebasis in Den Helder kwetsbaar voor een buitenlandse aanval over land vanuit het oosten. Verder moest voorkomen worden dat de invaller de uitwateringssluizen in handen zou krijgen. Deze sluizen speelden een belangrijke rol bij het inuderen (onder water zetten) van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Door deze te openen zou het waterpeil van het IJsselmeer zakken, waardoor de onder water gezette terreinen weer droog kwamen te staan. Om een aanval te stoppen werden drie defensieve werken aangelegd: de Wonsstelling direct ten oosten van de Afsluitdijk, een stelling op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand en tot slot een stelling bij de sluizen van Den Oever.

In mei 1931 werd begonnen met de bouw van de kazematten bij Kornwerderzand en Den Oever. Door ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog werd gekozen voor de bouw van een groot aantal verspreid liggende kazematten. Op die manier is de trefkans kleiner. De kazematten werden zó stevig gebouwd dat zware beschietingen konden worden weerstaan. De buitenmuren waren drie meter dik en de binnenmuren tussen de één en anderhalve meter dik.

Voor de verdedigingswerken op de Afsluitdijk lag op het Friese vasteland een laatste verdedigende stelling: de Wonsstelling. Dit was een verdedigingslinie die was opgebouwd uit aarde en hout. De stelling liep van Makkum naar Wons en vervolgens naar Zurich. De totale lengte bedroeg ongeveer 7 kilometer.

In de meidagen van 1940 vocht men hard. De Nederlandse soldaten waren al vijftien maanden in Kornwerderzand gelegerd. Ze bliezen de brug bij de sluis op, zodat de Duitse soldaten er niet overheen konden. Andere delen van Nederland werden door het Duitse leger veroverd, maar bij de Afsluitdijk kon men de Duitsers tegengehouden. Wel werd op 12 mei de Wonsstelling door de Duitsers veroverd. Tijdens een aanval op 13 mei 1940 kwam het Duitse leger tot op 800 meter voor de kazematten. Maar toen werd vanuit de kazematten en door marineschepen het vuur geopend en moesten de Duitsers zich terugtrekken. Na vier dagen werd Rotterdam gebombardeerd en dreigden de Duitsers ook Utrecht te bombarderen. Toen gaf Nederland de strijd op. Zo kregen de Duitsers de kazematten en de Afsluitdijk tenslotte toch in handen.

In 1963 zijn de kazematten bij Kornwerderzand buitengebruik gesteld. In 1985 is er een museum van gemaakt.

Er zijn een drietal boeken over de kazematten verschenen, namelijk:

- Blitzkrieg! Halte Kornwerderzand van Hans Sprakel en Ans Sprakel

- De Wonsstelling van Jacob Topper

- De kazematten van Kornwerderzand van R.J. Verbeek

Meer informatie is te vinden op www.kazemattenmuseum.nl.

november 2015, Simon Hoeksma

 

onderwerp    : Oerjagers in de Fryske Wâlden

spreker         : Lammert Postma van het IJstijdenmuseum

datum           : 12 januari 2016

130.000 geleden kwamen de eerste jagers in het gebied van de Fryske Wâlden. De laatste ijstijd, het Weichselien, duurde van 118.000 tot 11.000 jaar geleden. Tijdens deze ijstijd wisselden koudere en warmere perioden elkaar af. In deze periode waren er vier verschillende culturen:

- het Mousterien

- de Hamburgcultuur

- de Federmessercultuur

- de Ahrenburgcultuur

De bodem in de Fryske Wâlden is opgebouwd uit vier lagen. De onderste laag bestaat uit keizand, dan volgt het dekzand, vervolgens komt een harde oerbank en daar bovenop ligt het cultuurdek, waar de plantengroei plaats vindt.

Kenmerkend voor het landschap zijn de elzensingels, de dykswâlen en de pingoruïnes. Een pingoruïne is ontstaan in een laagte in het landschap. Gedurende een permafrostperiode (een periode van permanente vorst) bevroor het grondwater en zette uit. Hierdoor werd de grond opgetild en vormde zich een ijsberg. Tijdens een warmere periode ontdooide het ijs en ontstond een waterpoel met een aarden wal er omheen van afgegleden grond. Een pingo wordt ook wel een dobbe genoemd. Een dobbe is echter een ruimer begrip. Hier kan ook een gegraven poel mee worden bedoeld.

In het Mousterien leefden de Neanderthalers. Dat was in de periode van 130.000 tot 40.000 jaar geleden. De Neanderthalers jaagden o.a. op paarden, mammoeten en reuzenherten. Er werd gebruik gemaakt van werp- en stootsperen. Als gebruiksvoorwerp werd vaak een vuistbijl gebruikt. Die was gemaakt van vuursteen, dat meegenomen was door het landijs. Omdat het kouder werd zijn de Neanderthalers op een gegeven moment verder naar het zuiden getrokken.

Rond 20.000 jaar geleden onstond in de Fryske Wâlden een poolwoestijn. Daarna kwamen er stormen. Deze stormen veroorzaakten dekzandkoppen, waardoor het Drents plateau werd gevormd. De huidige dorpen liggen op deze dekzandkoppen.

In de periode van 15.000 tot 13.500 was hier de Hamburgcultuur. De bewoners waren jagers en verzamelaars. De jagers jaagden met hun werpsperen op rendieren die leefden van rendiermos. De vrouwen verzamelden producten als noten en wortels. Van de beenderen en geweien van de rendieren werden naalden en speerpunten gemaakt. Van de huiden werden kleren en tenten gemaakt.

Van 13.700 tot 12.800 jaar geleden was de periode van de Federmessercultuur. Deze werd vroeger ook wel de Tjongercultuur genoemd. In deze periode was het weer iets warmer. Er groeiden o.a. dennen- en berkenbomen. De mensen van de Hamburgcultuur en de rendieren waren naar het koudere noorden gegaan. De bevolking van de Federmessercultuur kwam uit zuidelijker gebieden. Evenals hun voorgangers waren de mensen van de Federmessercultuur jager en verzamelaar. Met een werpspeer werd o.a. op oerossen gejaagd.

In de volgende periode, van 12.900 tot 11.000 jaar geleden, werd het weer kouder. Dit is de periode van de Ahrenburgcultuur. De rendieren kwamen terug. De jagers jaagden nu met pijl en boog en met harpoenen. Verder maakten ze gebruik van kernbijlen die uit vuursteen gemaakt werden. Na de laatste ijstijd, toen het weer warmer werd, vertrokken de mensen van de Ahrenburgcultuur weer naar het koudere noorden.

Naar aanleiding van dit verhaal kunnen enkele conclusies getrokken worden.

conclusie 1

er is per cultuurperiode een verband tussen:

- gemiddelde jaartemperatuur en klimaat

- landschap

OERJAGERS 12-01-2016- planten- en dierenwereld

- materiële cultuur

conclusie 2

De Fryske Wâlden heeft een rijke en interessante geologische geschiedenis:

- keileemafzettingen

- pingoruïnes

- dekzandafzettingen

- stroomdalen van rivieren en beken

conclusie 3

De Fryske Wâlden heeft een zeer interessant cultuurlandschap:

- de mieden

- de elzensingels

- de dykswâlen

Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in het IJstijdenmuseum en op de website www.ijstijdenmuseum.nl.

januari 2016, Simon Hoeksma

 

         

onderwerp    : Koloniën van Weldadigheid

spreker         : Wil Schackmann

datum           : 15 maart 2016

De economische situatie in Nederland was na het vertrek van Napoleon slecht. Hij liet ons land berooid achter. Zo’n 10% van de twee miljoen inwoners leefde onder de armoedegrens en in de steden was dit zelfs 50%. De mislukte oogsten van 1816 en 1817 maakten het er niet beter op. Generaal Johannes van den Bosch probeerde iets aan de enorme armoede te doen. Hij wierf 15.000 contribuanten die samen 40.000 gulden per jaar doneerden. Met dit geld richtte hij de Maatschappij voor Weldadigheid op. De Maatschappij kocht het landgoed Westerbeeksloot in Drenthe en bouwde daar 52 kleine huisjes van 4½ bij 4½ meter groot. Armen uit de steden konden hier een nieuw bestaan opbouwen door het bewerken van de woeste gronden en daarna op deze gronden landbouw uit te oefenen. Er werd voorzien in werk, onderdak, onderwijs en zorg.

Na het oprichten van de proefkolonie Frederiksoord in 1818 kwamen achtereenvolgens de volgende koloniën tot stand:

1819  Frederiksoord 2

1820  Willemsoord

1821  Wilhelminaoord

Daarna kwamen er in 1822 een gesticht voor bedelaars in Ommerschans en drie gestichten voor weeskinderen in Veenhuizen. In Veenhuizen werden zo’n  2000 weeskinderen ondergebracht. Er onstond een zogenaamde win-winsituatie: de steden werden ontlast van armlastigen en door de ontginningen kwamen er meer landbouwproducten op de markt. De gestichten moesten een opleiding zijn tot beschaving, verlichting en weldadigheid en van een verstandelijke en zedelijke opvoeding. Er was leerplicht vanaf 6 jaar. Dat was vooruitstrevend, want in Nederland kwam pas in 1901 de leerplichtwet tot stand.

De koloniën in Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord waren de vrije koloniën en de koloniën in Veenhuizen en Ommerschans de onvrije koloniën. Bij Ommerschans kwam later ook nog een strafkolonie.

Sterke drank was verboden. Wie zich schuldig maakte aan het gebruik van alcohol kreeg geen loon in geld uitgekeerd, maar loon in de vorm van geldkaartjes. Voor deze kaartjes konden dan bepaalde producten gekocht worden.

Bedelaars werden beschouwd als luilevende armen, die het aan zichzelf te danken hadden dat ze arm waren. Via arbeid in de koloniën moesten ze in eigen onderhoud voorzien. Het ging om het aankweken van arbeidslust en daarnaast om scholing en opvoeding. De mannen en vrouwen leefden gescheiden.

 

VEENHUIZEN 15-03-2016Er werden drie soorten werkzaamheden verricht, namelijk veldarbeid, fabrieksarbeid (weven en spinnen) en overige arbeid, zoals koken, schoonmaken enz. Bedelaars konden zichzelf vrijwerken. Als ze fl. 25,-  verdiend hadden, konden ze de kolonie verlaten. Er werden alleen gezonde bedelaars opgenomen. Gebrekkige mensen werden teruggestuurd. Later veranderde dit en werden ze wel toegelaten. Wezen mochten met 21 jaar de kolonie verlaten. De gemeenten die mensen in de koloniën lieten opnemen, moesten jaarlijks voor hun verblijf betalen.

Voor de kolonisten betekende plaatsing in de zogenaamde ‘vrije kolonies’ een geweldige ingreep in hun leven. Velen werden vanuit de grote stad ‘overgeplant’ in een voor hen vreemde omgeving als het Drentse platteland. Bovendien heerstte er een strak regiem. Sommigen wisten zich goed te redden, maar anderen keerden weer graag terug naar de plaats van herkomst. Ook vluchtten sommige kolonisten, die moeite hadden om zich aan te passen aan het strenge regiem, naar de heide en gingen daar in plaggenhutten wonen. Zo ontstonden de nederzettingen Noordwolde-Zuid, Marijenkampen, Vledderveen en Nijenslekerveld.

Will Schackmann heeft twee boeken over de koloniën geschreven, namelijk: De proefkolonie en De bedelaarskolonie.

Meer informatie over de koloniën is te vinden op de volgende websites:

www.maatschappijvanweldadigheid.nl

www.koloniënvanweldadigheid.eu

www.dekoloniehof.nl

 

maart 2016, Simon Hoeksma