onderwerp    : Beurtschippers en boderijders

spreker         : Wim Mollema

datum           : 8 november 2016

De heer Mollema heeft diverse boeken over vervoer in Noord-Nederland geschreven,  zoals ‘Met de boderijders naar Groningen’ en ‘Met beurtschippers en boderijders door Friesland’. Van beide boeken zijn maar liefst 6000 exemplaren verkocht. Verder heeft hij ‘Het ontstaan van het openbaar vervoer in Noordoost-Friesland’ geschreven.

Vroeger ging het personenvervoer hoofdzakelijk per trekschuit of snik. Dit was echter alleen voor de mensen die het konden betalen. De trekschuit werd voortgetrokken door een paard. Er kon 1e of 2e klas gereisd worden. ’s Zaterdags werd de trekschuit vaak voor reisjes gebruikt. De trekwegen herinneren nog aan de routes van de trekschuit.

Ook het goederenvervoer ging per per schip. Bij geschikt weer kon er gezeild worden. Bij windstil weer of tegenwind moest er gejaagd worden, dat wil zeggen dat het schip met jaaglijn voortgetrokken moest worden door vrouw en/of kinderen. De schipper zelf hanteerde de vaarboom. Het werk van beurtschipper was zwaar werk. Alles moest met de hand in- en uitgeladen worden. Zo moesten bijvoorbeeld zakken zaad naar de korenbeurs gebracht worden om daar verkocht te worden.

De beurtschipper voer op vaste dagen en tijden. Vaak ging hij elke dag naar een andere stad of grote plaats.

Een deel van het goederenvervoer ging over de weg. In het begin ging dit met de hondenkar. Later werd gebruik van paarden gemaakt. Weer later kwam de vrachtauto. Ook kwamen er autobussen die op vaste dagen en tijden personen vervoerden naar de grotere plaatsen.

De bode haalde allerhande goederen op voor de mensen uit de stad. Als het product niet naar de zin was, bracht de boderijder het de volgende reis terug. Als het product wel goed was, kreeg hij geld van de opdrachtgever en bracht dit de volgende rit mee naar de stad om de leverancier te betalen.

In elke grotere plaats zoals Leeuwarden, Dokkum, Sneek en Heerenveen, was een bodeterrein waar de boderijders konden parkeren. Zo was het bodeterrein in Leeuwarden bij de Oldehove.

In bijna elke plaats waren wel één of meerdere boderijders. De meeste grote vervoersbedrijven zijn begonnen als beurtschipper of als boderijder.

Enkele boderijders in Achtkarspelen waren:

Augustinusga: De Jong, Combinatie Achtkarspelen-Augustinusga, Combinatie Dijkstra-De Jong en Dijkstra.

Buitenpost: Dijkstra, Anno Wiersma en Gebr. Van der Meulen.

Surhuisterveen: De Boer, De Bruin en Wouda.

Harkema: Land.

Drogeham: Kazemier.

november 2016, Simon Hoeksma

onderwerp    : Waterschapsgeschiedenis van Fryslân

spreker         : Douwe Weidenaar

datum           : 10 januari 2017

De oudste waterschappen in Fryslân waren de zeewerende waterschappen in Westergo. Tot 1533 waren deze ondergebracht bij de grietenijen (de voorlopers van de gemeenten). Na 1533 werd het dijkbeheer ondergebracht bij zelfstandige organisaties, de zogenaamde contributies. De vaarten en zijlen (uitwateringssluizen) bleven in beheer bij de grietenijen en districten.

Vanaf de tiende eeuw hadden de bewoners op de terpen meer ruimte en land nodig. Daarom werden de terpen via dijken, die het water moesten keren, met elkaar verbonden. Hierdoor werd landbouw in de gebieden buiten de terpen mogelijk. Voorbeelden hiervan zijn de Pingjumer Gulden Halsband, de Hempolders en de Slachtedijk. 

In het district Oostergo werd het dijkbeheer om de zee te weren veel later, in 1718, ondergebracht bij contributies. In Fryslân waren oorspronkelijk 34 dijkwaterschappen. Na diverse concentraties bleven er nog elf over. In 1980 ontstond het zeewerende Waterschap Friesland, later Wetterskip Fryslân genoemd. 

Tot 1863 werden de kosten voor het waterbeheer opgebracht door alle ingelanden van de waterschappen en de contributies. De ingelanden waren mensen die eigendommen in het gebied van de waterschappen en contributies hadden liggen. Vanaf 1883 droeg de provincie ook bij in de kosten.

In de 15e eeuw kwamen de eerste windmolens om het water weg te malen. Een belangrijke maatregel was het ophogen van de zeedijken door de Portugese stadhouder van Fryslân, Caspar de Robles. Het standbeeld ‘De Stiennen Man’ bij Harlingen herinnert nog aan hem.

Naast de zeewerende waterschappen kwamen er boezemwaterschappen. De eerste particuliere polders werden in de 15e eeuw opgericht. In Fryslân kwamen er uiteindelijk meer dan 1500 polders. In 1960 waren er door concentraties nog 940 over. Ook waren er waterschappen die alleen maar een weg of een brug in beheer hadden. Na 1875 kwamen de officieel gereglementeerde waterschappen. Het doel van deze waterschappen was vooral om laaggelegen gronden door bedijking te beschermen tegen hoge boezemwaterstanden en overtollig water door middel van bemaling te lozen op de Friese boezem (kanalen en meren).

In de periode na 1965 vonden er grote concentraties plaats en bleven er uiteindelijk nog maar elf boezemwaterschappen over. Achtkarspelen viel onder het waterschap ‘Lits en Lauwers’. Door fusies werd het aantal waterschappen in 1997 verminderd tot vijf. ‘Lits en Lauwers’ ging samen met ‘De Wâlden’ op in waterschap ‘Lauwerswâlden’ met een kantoor in Buitenpost (aan de Keurloane/Jeltingalaan). In 2004 fuseerden het zeewerende Wetterskip Fryslân en de vijf boezemwaterschappen. Er ontstond nu één groot waterschap in Fryslân: Wetterskip Fryslân. Ook een klein deel van het Groningse Westerkwartier valt onder dit waterschap. Alleen het kleine waterschap Blija Buitendijks bleef zelfstandig.

Tegenwoordig is de taak van het waterschap uitgebreider dan vroeger. Het waterschap heeft de verantwoordelijkheid voor drie terreinen:

- veiligheid (dijken)

- kwaliteit (waterzuivering)

- kwantiteit (beheer van de waterstand)

Vanaf de 15e eeuw kwamen er windmolens in gebruik. Dit waren tjaskers, spinnekopmolens en monnikmolens. Eind 19e eeuw kwamen de eerste stoomgemalen. Later werden deze vervangen door elektrische gemalen. De gemalen zijn tegenwoordig allemaal geautomatiseerd en worden aangestuurd via telemetrie.

In 2004 is de Stichting Waterschapserfgoed opgericht. Deze stichting heeft als doel het instandhouden van het onroerend waterschapserfgoed. De stichting is in het bezit van een aantal windwatermolens, oude gemalen, sluizen, gedenktekens en een dijk. Zo is de windmotor ‘De Lauwers’ bij Sarabos één van de eigendommen van de stichting. Voor meer informatie zie: www.waterschapserfgoed.nl.

In het boek ‘De loop van het Friese water’ van G. ter Haar en P.L. Polhuis staat de hele waterstaatsgeschiedenis van Fryslân beschreven.

januari 2017, Simon Hoeksma

onderwerp    : De Friese Waterlinie

spreker         : Karst Berkenbosch

datum           : 14 maart 2017

De zeventiende eeuw was een roerige tijd. Er werden diverse oorlogen gevoerd. Tot 1618 was er sprake van het Heilige Roomse Rijk. Heel West-Europa was rooms-katholiek. Door de reformatie werden echter steeds meer mensen in Duitsland hervormd (luthers). Er ontstond een strijd tussen katholieken en luthersen. Dit mondde uit in de dertigjarige oorlog van 1618 tot 1648. Deze strijd werd uiteindelijk gewonnen door de luthersen.

In 1650 werd Bernhard van Galen bisschop van Münster. Hij had de bijnaam Bommen Berend. Hij wilde zijn rijk uitbreiden ten koste van de Nederlanden. Ook Frankrijk wilde haar gebied uitbreiden en wilde bezit nemen van de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België). In het geheim sloot de Franse koning Lodewijk XIV een verbond met Engeland.

In 1672 verklaarden Engeland, Frankrijk, Münster en Keulen de oorlog aan de Nederlandse Republiek. Het land werd van alle kanten aangevallen. In het zuidoosten van Friesland lag de Friese Waterlinie. Deze werd ooit opgericht om de Spanjaarden tegen te houden.

Het landschap lag er in 1589 bij de aanleg van de Friese Waterlinie heel anders bij. De rivier de Linde, nu een rechtgetrokken stroompje, was toen een overtuigende waterpartij die zich door een moerasachtig landschap slingerde. Er was heel veel moeras. Een omtrekkende beweging was niet mogelijk. In Groningen lag een zelfde linie en in het westen lag de Zuiderzee. Er waren een paar plekken waar je veilig de Linde en de moerassen kon oversteken. Op deze plekken werden in 1589, na de Spaanse verovering van Steenwijk, in alle haast verdedigingswerken opgeworpen. De tien schansen die door de Friezen werden gebouwd, bleken afdoende. De Spanjaarden konden hun aanval niet doorzetten. Na de 80-jarige oorlog raakten de verdedigingswerken in verval. De moerassen eromheen werden drooggelegd, waardoor er weinig  van de linie overbleef.

Volgens overlevering waren er de volgende schansen, waar bij aangetekend moet worden dat een aantal hiervan zeer waarschijnlijk nooit bestaan hebben.

- Kuinderschans

- Slijkenburgschans

- Blessebrugschans

- Schans Steenwijk

- Bekhofschans (bij Oldeberkoop)

- Schans Makkinga

- Tolbrugschans (bij Oudehorne)

- Schoterschans (bij Oudeschoot)

- Schans Heerenveen

- Bandsterschans (bij Terband/Heerenveen)

- Schans Gorredijk

- Breebergschans (bij Donkerbroek)

- Zwartendijksterschans (bij Bakkeveen/Een)

- Schans Friesche Palen

Er ligt ook nog een schans in de bossen van Bakkenveen bij Landgoed ‘De Slotplaats’. Deze is echter veel later aangelegd en diende 'voor het mooi' of wellicht om wiskundeles op te geven.Bij Smalle Ee lag mogelijk een waterschans. Op de Friese grens tussen Bakkeveen en Een bij Allardsoog lag de Landweer, een hoge aarden wal die diende als verdediging.

In 1672 deed bisschop Bernhard von Galen een aanval op Noord- en Oost-Nederland. Toen de bisschop de grenzen met een grote legermacht overtrok, brak er paniek uit. De ene na de andere stad in Oost-Nederland gaf zich over. Daarna richtten de Duitse troepen zich op het noorden. Belangrijkste doel was de stad Groningen. Aan het bestoken van de stad met explosieven en stinkbommen dankt Bernhard von Galen zijn bijnaam ‘Bommen Berend’. Ondanks deze bombardementen lukte het echter niet om de stad in handen te krijgen. En dus besloot de bisschop een omtrekkende beweging te maken via Friesland.

In allerijl werd de oude Friese Waterlinie hersteld. De moerassen waren verdwenen en dus werden grote stukken land onder water gezet. De verdediging van de linie was in handen vanHans Willem van Aylva. Hij moest met een handjevol soldaten de enorme troepenmacht uit Münster zien tegen te houden. De bisschop wist dat en hij verwachte geen problemen toen hij zijn verkenners vanuit Steenwijk naar de Friese Waterlinie stuurde.

In augustus 1673 tenslotte brak de linie bij de Blesbrugschans. De Duitse troepen rukten in razend tempo op naar het noorden en stonden al snel bij Wolvega. Op 29 augustus bewees de Waterlinie echter opnieuw zijn nut. Een razende noordwester storm joeg het water van de Zuiderzee richting de Linde, waardoor het water in deze rivier tot ver buiten zijn oevers trad. De terugweg naar de vesting Steenwijk was geblokkeerd en de aanvoerlijnen waren afgesneden. De Duitse troepen kozen het hazenpad, op de hielen gezeten door het Friese leger. Talrijke soldaten verloren daarbij het leven, soms door een Friese kogel, vaker nog door verdrinking. Zo kwam een einde aan de aanval van Bommen Berend op Noord-Nederland.

Voor meer informatie over de Friese Waterlinie zie: www.friesewaterlinie.nl of www.cultuurhistoriefriesewouden.nl. Karst Berkenbosch beschrijft de strijd om de Friese Waterlinie in het boek ‘Bij de bek af’.

maart 2017, Simon Hoeksma