Welkom op de website van Stichting Oud-Achtkarspelen

onderwerp    : 200 jaar familienamen in Nederland

spreker          : Theo Kuipers van Tresoar

datum            : 1 november 2011

 

200 jaar geleden, in 1811, werd door de Franse overheersers de burgerlijke stand ingevoerd. Voortaan moest een geboorte, huwelijk of overlijden aangegeven worden op het gemeentehuis. Daarvoor gebeurde dit bij de plaatselijke kerk. Bovendien moesten alle gezinshoofden een achternaam op geven. Tot die tijd voerden de meeste mensen als tweede naam de naam van de vader, bijv.: Harmen Pieters (zoon van Pieter), Pieter Jacobs, Tetje Wiegers, enz.

In 1749 werd er een nieuwe belasting ingevoerd, de zogenaamde quotisatie-belasting. Van elk dorp werden de belastingplichtigen genoteerd. In Surhuisterveen waren toentertijd 259 gezinshoofden, waarvan 14 personen oftewel 5% een familienaam hadden. In de gemeenten Leeuwarden en Franeker lag dit aantal veel hoger en hadden al 30 à 40% van de gezinshoofden een achternaam.

In 1810 was Nederland een onderdeel van het Franse keizerrijk geworden. Achtkarspelen was verdeeld in drie mairies of districten, met als hoofdplaatsen Buitenpost, Augustinusga en Surhuizum. Uit Surhuisterveen gingen 170 mensen naar Surhuizum om daar een achternaam op te geven. Niet iedereen hoefde naar het gemeentehuis, want in veel gevallen gaf de vader voor z’n hele familie de achternaam op, dus ook voor z’n getrouwde kinderen die soms in een ander dorp woonden. In totaal hebben 201 mensen uit Surhuisterveen een achternaam aangenomen.

Voor de andere dorpen waren deze aantallen:

Augustinusga                      102
Buitenpost                            134
Drogeham                            117
Gerkesklooster-Stroobos     86
Harkema-Opeinde                61
Kooten                                  108
Lutjepost                                   3
Surhuizum                           104
Twijzel                                   132

(bron: www.tresoar.nl)

De keuze van de achternamen kan globaal in vijf hoofdcategorieën onderverdeeld worden.

1. Er werd gebruik gemaakt van het patroniem, oftewel de vaders naam. Voorbeelden: Geert Hendriks, Antje Jans. Ook werd er vaak -sma achter de naam van de vader gezet: Willem Pietersma, Sietske Willemsma.

2. De naam verwees naar een toponiem oftewel de naam verwees naar een plaats of naar de grond. Vaak eindigde de naam op -stra. Voorbeelden: Hamstra, Kootstra, Dijkstra, Veenstra, Zandstra.

3. De naam verwees naar een beroep. Voorbeelden: Smid, Kuiper, Wagenaar (wagenmaker), De Boer.

4. De naam verwees naar een lichaamskenmerk of was een spotnaam of bijnaam. Voorbeelden: Zwart, De Groot.

5. De naam was van buitenlandse afkomst. Voorbeelden: Oldenburger, Pool.

70% van de mensen die een naam opgaf, kon niet schrijven. In plaats van een handtekening zetten zij een kruisje.

Meer informatie over familienamen is te vinden op: www.meertens.nl.

Het tweede deel van de lezing bestond uit het doornemen van een aantal acten uit de Franse tijd. Aan de hand van drie kopieën werden een acte van een diefstal, een erfenis en een verkoping gelezen en besproken.

Het verkopen van onroerend goed werd vroeger drie zondagen achtereen voorge-lezen in de kerk. Dit had te maken met het niaarrecht. Als iemand een onroerend goed te koop aanbood, dan hadden familieleden en  naastlegers het recht van eerste koop. Dit was bedoeld om te voorkomen dat het grondbezit teveel versnipperd zou raken.

november 2011 / Simon Hoeksma

onderwerp    : Kolonisatie van de Friese veengebieden

spreker          : Jan Slofstra, archeoloog en historicus

datum            : 10 januari 2012

 

De heer Slofstra vertelt in deze lezing over de agrarische kolonisatie. Daar wordt mee bedoeld het in gebruik nemen van grote gebieden in de Friese Wouden. Dit gebeurde in de periode van 900 tot 1200.

Rond 800 was de helft van Nederland, onder andere het zuidoosten van Friesland, veengebied. Deze veengebieden waren onbewoonbaar en onbegaanbaar. De veenstreken zijn op twee manieren ontgonnen: via randveenontginning en via rivierontginning.

Op de kwelders in het kustgebied woonden mensen die hoofdzakelijk van de handel leefden. Deze kustbewoners gingen op een gegeven moment hun leefgebied uitbreiden en namen de randen van het veen in gebruik.

Daarnaast werden er vanaf de 10e eeuw veengebieden ontgonnen via de rivieren. Mensen voeren de rivier op en gingen aan de oevers van deze rivier wonen. Voorbeelden van deze rivieren zijn de Lauwers en de Oude Ried in Achtkarspelen, het Ouddiep in Opsterland en de Tjonger en de Linde in de Stellingwerven.

Veen is net een soort spons die vol met water zit. Om het veen bewoonbaar te maken, moet het eerst ontwaterd worden. Dit gebeurde door sloten loodrecht op de rivieren te graven. Bovendien oxideerde het veen, dat wil zeggen het veen vervluchtigde of verdween. Daardoor klonk het veen in en kwam het maaiveld lager te liggen, wat weer wateroverlast tot gevolg had. Noodgedwongen moesten de nederzettingen daarom op een gegeven moment opschuiven naar hogere gebieden. Dit gebeurde steeds in dezelfde kavelstrook. Nadat de nederzettingen een aantal keren verplaatst waren, kwamen ze uiteindelijk op de hoge zandruggen terecht. Dit is bijvoorbeeld gebeurd in Staphorst en Rouveen.

De ontgonnen grond werden zowel voor akkerbouw als voor veeteelt gebruikt. Ook bouwde men houten kerkjes. Deze kerkjes schoven eveneens op naar hogere gebieden. Opvallend is dat de kerken in dezelfde kavelstrook bleven staan. Dit is onder andere af te leiden van oude kaarten.

De nederzettingen in Achtkarspelen zijn ontstaan vanuit de rivierontginningen. Via de Lauwers en de Oude Ried kwamen de mensen dit gebied binnen. De eerste dorpen ontstonden in de buurt van de Oude Ried in het centrum van Achtkarspelen en in het oosten bij de Lauwers. Rond 1200 zijn deze nederzettingen opgeschoven naar hogere gebieden. Zo is Buitenpost vanuit Lutjepost ontstaan en is Augustinusga ontstaan vanuit het dorp op de Tjoele. Ook Kooten en Twijzel lagen vroeger dichter bij de Oude Ried en zijn opgeschoven naar hogere delen. In de IJzermieden lag vroeger het dorp Sint Gangolfskerk. Ook deze bewoners moesten op een gegeven gedwongen opschuiven. Probleem was echter dat zij niet konden opschijven, omdat er geen hogere gronden in de buurt lagen. Ten noorden lag de Oude Ried en ten zuiden lagen ook lage gronden. Daardoor werden zij gedwongen om naar elders te verhuizen. 

In Smallingerland, Opsterland, Schoterland, Weststellingwerf en Ooststellingwerf zijn de meeste gebieden eveneens vanuit de rivieren ontgonnen. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in het Groninger Westerkwartier.

Het Lage Midden in Friesland was vroeger het Hoge Midden en was met een dik pakket veen bedekt. Door ontginning is het lager komen te liggen. Daardoor moesten nederzettingen opgegeven worden en moesten de mensen naar andere gebieden verhuizen. Dit is onder andere gebeurd in het westen van Smallingerland en Opsterland en in het gebied ten zuiden van Oldeboorn. In latere eeuwen hadden de boeren uit de rest van de gemeente hooilanden in deze gebieden liggen. Waar-schijnlijk lagen er niet genoeg landerijen in de omgeving van de boerderij. De boeren uit Achtkarspelen hadden hooilanden in het Uitland ten oosten van Buitenpost liggen.

Nog lang niet alle vragen over de ontginningen zijn beantwoord. Diverse vragen  zullen door nader onderzoek verder opgehelderd moeten worden. Zo lagen Ureterp en Siegerswoude op een hoogte dicht bij het Oud- of het Koningsdiep. Waarom deze dorpen dan toch opgeschoven zijn, is nog steeds niet duidelijk.

Om de landerijen tegen het zure veen uit de Drachtster venen te beschermen werden er leidijken aangelegd. Dit is onder andere gebeurd bij Bakkeveen en Siegerswoude.

Simon Hoeksma / januari 2012

onderwerp    : Folklore op tafel

spreker          : Carolina Verhoeven

datum            : 6 maart 2012

 

Mevrouw Verhoeven is eigenaar van de Academie Culinaire Historie. Deze Academie is een landelijk kenniscentrum over culinair erfgoed, dat kennis wil verzamelen en doorgeven. De voornaamste doelen van de Academie Culinaire Historie zijn:

-    Het bereiken van een breed publiek om culinair historische kennis door te geven;

-    Het verzamelen en beheren van informatie over culinaire tradities in de breedste zin van het woord;

-    Het toepassen van de kennis over culinaire tradities;

-    Het verwerven van een materiële collectie;

-    Het aanleggen en in stand houden van een culinair archief en databank.

De Unesco heeft mevrouw Verhoeven gevraagd om kookmateriaal uit het verleden te bewaren. Probleem is dat er weinig over het koken in vroeger tijden beschreven staat. Dat komt omdat zaken die heel normaal waren meestal niet in boeken beschreven zijn. De oudste kookboeken zijn uit de periode van 1500 - 1600.

Mevrouw Verhoeven is ook eigenaar van het kookmuseum ‘De Vleer’ te Appelscha geweest. Vleer is het Friese woord voor vlier. Van de takken van de vlier konden fluitjes gemaakt worden. Daardoor is het woord flierefluiter ontstaan.

De spreekster laat verschillende objecten zien die vroeger van alledaagse voorwerpen werden gemaakt, zoals onder andere een snijbonenmolen gemaakt van een bluebandkistje, een aardappelrasp gemaakt van een blikje en een kaasrasp gemaakt van een plank en spijkers.

Vroeger, toen er nog geen koelkast en ijskast waren, moest men andere manieren vinden om te conserveren. Conserveren is afgeleid van het Latijnse woord conservare. Dit betekent bewaren of behouden. Dat zegt precies waar we het nu ook nog voor gebruiken. Als we het toepassen op voedsel, betekent het het bewerken van voedsel om het langer te bewaren. Dit is nodig, omdat voedsel blootgesteld wordt aan verschillende invloeden, die er na enige tijd voor zorgen dat het niet meer geschikt is voor consumptie. Voedingsmiddelen moeten dus een conserverings-behandeling krijgen, zodat ze later ook nog gegeten kunnen worden. Bij het conserveren van een product wordt de activiteit van micro-organismen en enzymen zoveel mogelijk beperkt of vernietigd. Dit kan op verschillende manieren, zoals bijvoorbeeld:

Wecken: Door het luchtdicht afsluiten van de potten en flessen wordt voorkomen dat er nieuwe kiemen in het product binnendringen. De etenswaren worden gedurende een bepaalde tijd verhit in dikwandige glazen potten. Tijdens het afkoelen ontstaat er onderdruk in de pot.

Inkoken in suiker: Het inkoken in suikerwater wordt al eeuwenlang gedaan met vooral fruit.

Bewaren in alcohol: Vruchten kunnen goed bewaard worden in alcohol. Het alcoholpercentage moet wel hoger zijn dan 19%, anders kan er gisting ontstaan.

Andere mogelijkheden om producten bewaren, waren: het bewaren van kaas in varkensblazen, het bewaren van boter in groot hoefblad, het bewaren van fruit, wijn, bier en boter in kuipen en het bewaren van eieren in kalk of kalkwater. Andere mogelijkheden om producten te bewaren, waren: in kruiken, in vleespotten, in pekelbaden en inblikken.

Meer informatie over de keuken van vroeger is te vinden op de website www.tazzly.com

Maart 2012 / Simon Hoeksma