Welkom op de website van Stichting Oud-Achtkarspelen

onderwerp    : Fries levend erfgoed

spreker          : Johannes Spyksma

datum            : 13 november 2012

 

De heer Spyksma is lid van het Werkverband van Friese rassen. Het Werkverband zet zich in voor het behoud en vermeerderen van het Fries levend erfgoed, onder te verdelen in dieren, nutsplanten en fruit. Het Werkverband is ontstaan uit Stichting It Griene Nêst die o.a. een boerderij te Sumar heeft, waar Friese dierenrassen worden gehouden en Friese planten- en fruitrassen worden gekweekt.

Tot de typisch Friese dierenrassen behoren het Friese paard, de Friese roodbonte koe, de Fries-Hollandse zwartbonte koe, het Friese melkschaap, het Zwartbles-schaap, de Landgeit, de Stabij, de Wetterhoun en de Friese hoenders. Het paard werd vroeger gebruikt als werkpaard; tegenwoordig is dat niet meer nodig en wordt het gebruikt voor recreatieve doeleinden. Na de Friese roodbonte koe kwam de Fries-Hollandse zwartbonte koe. Deze was zowel geschikt voor melk- als vleesproductie. Hierna kwam de Frisian-Holstein in opkomst. Deze koe wordt eenzijdig gefokt en is alleen geschikt voor de melkproductie en niet voor de vleesproductie. Deze koeien gaan korter, ongeveer zeven jaar, mee. Het Friese melkschaap is een schaap met een staart zonder wol. Hierna kwam het Texelse schaap, dat veel meer wol heeft. De Landgeit werd de koe van de armen genoemd. De armen hadden geen geld om een koe te kopen en kochten daarom een geit. De Landgeit heeft veel haar en grote hoorns.Het aantal wetterhounen is drastisch achteruit gegaan, er zijn nog maar 750 over. De Friese hoenders hebben twaalf verschillende kleurslagen.

Tot de typisch Friese nutsplanten behoren gerst, rogge, haver, boekweit, diverse woudbonen, erwten, wortels, uien, cichorei, vlas, aardappelen, koolrapen en rapen. Onder de specifiek Friese fruitrassen behoren appels, pruimen, wichters, bessen en peren.

Vanuit de biodiversiteit is het belangrijk om de Friese rassen in stand te houden. Dit is niet alleen een zaak van de wilde natuur, maar ook van gedomesticeerde (aan de mens aangepaste) planten en dieren. In een tijd van extreem ver doorgevoerde specialisatie in de landbouw zijn vele soorten en rassen verdwenen of dreigen te verdwijnen. Steeds meer agrarische producten ontstaan uit steeds minder rassen, met als gevolg versmalling van de genetische diversiteit (de variatie in erfelijke eigenschappen).

Het doel van de werkgroep is de fruit- en groenterassen commercieel te maken. Getracht wordt de horeca, zorgboerderijen en volkstuinen voor de Friese rassen te interesseren. Dit is noodzakelijk om de rassen in stand te houden. Het is belangrijk om het historisch besef levend te houden door lijnen door te trekken van verleden via het heden naar de toekomst. Helaas is er steeds minder interesse voor de Friese rassen en zijn het vooral oudere mensen die hier belangstelling voor hebben.

De Werkgroep heeft drie brochures uitgegeven: Friese dierenrassen, Friese nutsplanten en Het Friese fruit. Meer informatie over het Friese levend erfgoed is te vinden op www.werkverband-frieserassen.nl en www.grienenest.nl.

November 2012 / Simon Hoeksma

onderwerp    : Molens in Achtkarspelen

spreker          : Sjerp de Jong

datum            : 13 maart 2013

 

In Achtkarspelen zijn ongeveer vijftig molens geweest. Hiervan zijn nog maar vier over. In heel Friesland zijn er zo’n 2500 geweest, waarvan er nog 130 over zijn. Over heel Nederland gezien zijn er ooit 10.000 geweest en zijn er nog 1200 over.

In de begintijd werd het graan fijn gemalen door met de hand twee stenen over elkaar heen te wrijven. Later kwamen hier molens voor in de plaats. Er waren, gerubriceerd naar aandrijving, o.a. de volgende molens:
- handgraanmolens (aangedreven door handkracht)
- rosmolens (aangedreven door een ros, oftewel een paard)
- watermolens (aangedreven door water)
- windmolens (aangedreven door de wind)

Voorbeelden van windmolens zijn de spinnekop en de paaltjasker.

In de korenmolens liggen altijd twee stenen, een vaste en een beweegbare. De vaste steen wordt de ligger genoemd en de beweegbare de loper. Tussen de twee stenen wordt het graan fijngemalen.

Molens konden diverse functies hebben:

- graan malen (van graan meel maken)

- pellen (van gerst gort maken door het kaf van de graankorrel te scheiden)

- run maken (het fijnmalen van eikenschors om er run van te maken, dat gebruikt werd bij het leerlooien)

- houtzagen (van boomstammen planken zagen)

- verf maken (grondstoffen voor het maken van verf vermalen)

- krijt of tras malen (het fijnmalen van krijt voor het gebruik van plamuur of cement)

- olie slaan (uit oliehoudende zaden olie persen)

- water pompen (om het water uit lage gebieden op te malen)

In een pelmolen werd het kaf van de graankorrel gescheiden en werd van gerst gort gemaakt. Daarvoor moest de gerst zes maal door de molen heen. Vaak had een molen meerdere functies. Zo had je o.a. de combinatie van koren- en pelmolen en van pel- en oliemolen.

Veel molens zijn afgebroken door:
- de opkomst van meelfabrieken
- het in gebruik nemen van motorgemalen
- veranderde arbeidsomstandigheden

Poldermolens, ook wel watermolens genoemd, werden gebruikt om de polder droog te malen. Voordat er poldermolens werden gebouwd, gebeurde dit door zijlen of uitwateringssluizen. Vroeger waren er veel kleine waterschappen, waarvan er vele een poldermolen hadden. In Friesland waren er eertijds 324 polders.Door fusies van waterschappen zijn veel van de poldermolens verdwenen.

In Achtkarspelen stonden o.a. de volgende molens: korenmolens in Buitenpost, Twijzel, Kooten, Drogeham, Augustinusga, Surhuizum, Kortwoude en Gerkesklooster; poldermolens voor het droogmaken van de polder en voor het vervenen; een houtzaagmolen in Buitenpost en verschillende olie- en pelmolens in Kootstertille en Stroobos.

De oudste korenmolens waren standerdmolens. Deze molens stonden op een standerd of dikke stam. Daarna kwamen er stellingmolens. Deze molens waren hoger en konden meer wind vangen. Halverwege de molen was een stelling of gaanderij.

Er staan nog vier molens in Achtkarspelen:

- De korenmolen te Kortwoude. Een voorganger van deze molen stond aan de andere kant van de weg.

- De tjasker bij Augustinusga. Op deze plaats stond vroeger een spinnekopmolen. De tjasker heeft eerder bij Blessum en bij Rijperkerk gestaan.

- De monniksmolen bij de ijsbaan in Buitenpost. Deze poldermolen stond eerst in de Borgsloterpolder in de provincie Groningen.

- de Amerikaans windmotor bij Sarabos onder Gerkesklooster. Dit is een poldermolen.

Op de volgende websites staat veel informatie over molens:

www.molendatabase.nl
www.molendatabase.org
www.allemolens.nl
www.windmotoren-friesland.nl

maart 2013 / Simon Hoeksma

onderwerp    : Historie van de schaatssport

spreker          : Hedman Bijlsma

datum            : 15 januari 2013

 

De oudste schaatsen waren gemaakt van botten; later werden de schaatsen van hout gemaakt. Vaak waren het smeden en timmerlieden die in de rustige winterperiode schaatsen maakten. Ook veel particulieren maakten schaatsen. De meeste schaatsenmakers woonden in Warga, waar op een gegeven zo’n 26 woonden. Jan van der Velde uit Twijzel was de enige schaatsenmaker in Achtkarspelen.

In de 17e of 18e eeuw werden de eerste kortebaanwedstrijden gehouden. Er waren zowel wedstrijden voor mannen, als voor vrouwen. Voor vrouwen werd op een gegeven moment echter het wedstrijd-rijden verboden. Dit vanwege de zedeloosheid, de vrouwen droegen in de ogen van sommigen te weinig kleren.

In 1846 werd er, aldus Thineus, geschaatst op de Wide Pet. Thineus was een pseudoniem van de Surhuisterveenster dominee Tonnis van Duinen die het boekje ‘Ons Dorp’ schreef. De eerste organisators van schaatswedstrijden waren de kasteleins. Zij hoopten op deze manier wat extra omzet te kunnen halen. Zo organiseerde, volgens de Leeuwarder Courant, de kastelein van Roodeschuur in 1844 een wedstrijd. Daarna waren het de ijsclubs die de wedstrijden organiseerden. Deze ijsclubs werden gevormd door de notabelen van het dorp. In Surhuisterveen werd de IJsclub Foarút opgericht.

In Drogeham waren twee ijsbanen. Tussen de beide ijsbanen lag de Drogehamstervaart. De banen werden geloof, hoop en liefde genoemd. Geloof was de baan waar de rechtzinnigen schaatsten. Hoop was de vaart; men hoopte dat het ijs zo sterk werd dat men richting het kanaal kon schaatsen. Liefde was de baan van de vrijzinnigen; hier werd ’s avonds in het donker wel eens de liefde bedreven. In de dertiger jaren is er één ijsbaan gekomen, die de toepasselijke naam De Eendracht kreeg.

Een bekende schaatser uit Buitenpost in de 19e eeuw was Jakob Elzes (Sikkema). Hij behaalde vele prijzen. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was Truus Dijkstra, ook uit Buitenpost, een bekende schaatster. In 1971, 1972 en 1973 werd zij drie jaar achterelkaar Nederlands kampioen kortebaanschaatsen.

Vroeger werden er door de rijke boeren vaak spekrijderijen georganiseerd. De Spekloane in Boelenslaan herinnert hier nog aan. De boeren organiseerden dit uit leedvermaak om naar de vreemde capriolen van de arme arbeiders te kijken, waarvan heel wat personen nauwelijks konden schaatsen. Veel arbeiders namen, vanwege de prijzen, graag aan deze wedstrijden deel. Zo was er eens een rijderij waar maar liefst 980 rijders aan deel namen. 

Bekende schilders van ijstaferelen waren Ruurd Wiersma uit Birdaard en Paradieske uit Drachten. Zij waren zogenaamde naïeve schilders.

Naast hardrijden kan er ook aan kunstrijden, schoonrijden en kruislingsrijden gedaan worden.

Wanneer er geschaatst kan worden staan er vaak ‘koek en zopie’-tenten op het ijs. Zopie verwijst naar zoopje, een ander woord voor jenever. Veel mensen gingen in de 19e eeuw met een tentje op het ijs staan om zopie te verkopen, omdat hier geen vergunning voor nodig was.

Om te kunnen schaatsen moeten de banen geveegd worden. Eerst werd dit gedaan door baanvegers, later door ijsschavers, daarna kwam het gemotoriseerd vegen en tegenwoordig wordt er zelfs geveegd met een amfibivoertuig.

In de meeste gemeenten is een ijswegencentrale actief. Deze centrale is verantwoordelijk voor het uitzetten van de banen. Ook in Achtkarspelen is een ijscentrale geweest, maar deze is opgeheven.

Pas in 1938 werden de eerste toertochten georganiseerd. Zo werden in het verleden de Achtkarspelentocht en de Achtdorpentocht gehouden. Vaak kon er gestart worden in een café.

Op alle ijsbanen wordt linksom gereden. Opvallend is echter dat in Augustinusga lange tijd rechtsom is geschaatst. Toen de baan in 1967 van It Oast naar De Bosk verplaatst werd, is ook hier het linksomrijden ingevoerd.

De heer Bijlsma heeft een enorm schaatsarchief opgebouwd. Hij heeft een bibliotheek van zo’n 6000 boeken over ijs en schaatsen.

januari 2013 / Simon Hoeksma